Een burn-out krijgen? Dat leek mij iets voor andere mensen. Dus toen ze mij ervoor waarschuwden in de eerste week van mijn nieuwe baan, moest ik lachen. Toch was het na een jaar zo ver. Ik was op, kon geen mail meer lezen, en moest me ziekmelden. Na een halfjaar begon ik hoopvol ergens anders, maar ook daar brandde ik uit. Wat overbleef was een paniekerig gevoel, dat van ergens diep in mij kwam.
Blijkbaar wilde deze burn-out me iets te vertellen. Tijd om echt eens te gaan luisteren, zou je zeggen. Maar naar wat?
De tekenen van burn-out
In 2022 kwam ik terug van anderhalf jaar reizen. Ik was in m'n eentje naar Spanje en Portugal gereden, had daar vrijwilligerswerk gedaan en op huizen en huisdieren gepast. Bijna elke dag was ik in prachtige natuur, ik voelde me verbonden met de wereld en was geïnspireerd. Het leven zag er mooi en magisch uit.
Maar dat was natuurlijk niet het 'echte' leven, want ik had geen werk en geen eigen woonplek. Het werd tijd om weer eens deel te zijn van de maatschappij, dus besloot ik dat te gaan doen in Utrecht.
En dat heb ik geweten. Want voor die nieuwe baan moesten alle radartjes in mijn hoofd ineens op volle toeren draaien, terwijl het daar al lang erg rustig was geweest. Constant stond ik in contact met vrijwilligers, organistoren, technici, catering, artiesten en bezoekers. Ik moest regelen, vooruitdenken, draaiboeken maken en aanspreekpunt zijn. Elke dag was er wel wat, en regelmatig werkte ik in de avonden en de weekenden. Dat was wel even wat anders dan mijn nomadische leven.
Toch kickte ik op de hectiek en de reuring. En toen ik werd gevraagd voor een freelanceklus binnen mijn vakgebied filosofie, dacht ik, leuk, waarom ook niet! Ondanks een stemmetje in mijn achterhoofd die zei 'Weet je dat wel zeker? Wordt dat niet te veel?'
Ik schreef op een papiertje of ik die extra uren kon waarmaken, inclusief mijn hobby's, sport, sociale leven en de minstens twee uur die ik dagelijks aan mijn boek schreef. Volgens dat papiertje moest het goedkomen.
Maar het kwam niet goed.
Langzamerhand merkte ik de tekenen op, die zich steeds vaker voordeden. Ik sliep slecht, werd met een moe hoofd wakker, was kortademig en had een opgejaagd gevoel. Mijn hart ging vaak snel, en als ik mijn ogen dichtdeed, trilden mijn oogleden. Ik droomde elke nacht over werk. Als ik wakker werd, meestal veel te vroeg, waren mijn gedachten alweer hard bezig om alle details op een rij te zetten.
Ik kon niet meer relativeren en moest op elk binnenkomend mailtje reageren.
Non-stop was ik bezig, aan het denken, bellen, coördineren, podiums op- en afbouwen, een verloren kabel zoeken, mailen. Ik werd vergeetachtig, gaf de planten water en vroeg me meteen af of ik dat had gedroomd of echt gedaan. Op een zaterdagavond stond ik achter de bar op de korfbalclub en moest ik letterlijk vijf keer vragen of iemand zijn bestelling wilde herhalen.
Drie bier… vier bier? Twee ice tea? Of een? Mijn hersenen registreerden het gewoon niet meer.
Ondanks dat ik ondertussen nog steeds vrolijk en optimistisch was, had ik door dat mijn hersenen aan het aftakelen waren. Ik had al eens aan de bel getrokken op werk, geuit dat ik aan het overlopen was, maar er veranderde niet veel. Iedereen had het druk, er was gewoon veel werk. En ik bleef doorgaan, ik wilde niet opgeven.
Eigenlijk kón ik niet eens meer stoppen. Ik werd gedreven door een kracht die buiten mezelf was. Ja, ik maakte me zorgen, maar zweefde er ook boven. Misschien was die plek, losgekoppeld van mijn lichaam, de enige manier om er nog mee te dealen.
Totdat ik nauwelijks meer kon nadenken. Met een laatste krachtinspanning maakte ik een overzicht van taken en vroeg mijn collega's of ze die een paar dagen konden overnemen. Toen zei een van hen:
'Moet jij je niet gewoon helemaal ziekmelden?'
Ik barstte in huilen uit. Van de levendige vrouw van een jaar geleden was weinig meer over.
Voorbijdrijvende wolken
In eerste instantie dacht ik dat ik er gewoon een weekje tussenuit moest. Even 'bijkomen'. Maar ook los van werk bleef ik doorgaan in de overdrive, en het werd er niet beter op. Dus besefte ik dat er iets drastisch moest veranderen.
Misschien moest ik maar gewoon... rusten.
Wat dat ook betekende.
En toen was het alsof er een knop omging. Mijn hoofd voelde eindelijk de toestemming om ermee op te houden, en de vermoeidheid sloeg in als een bom.
Dagenlang lag ik op de bank, of in bed, liefst met de gordijnen dicht. Beeldschermen waren te fel, boeken kon ik niet lezen, zelfs een wandeling maken was te veel. Laat staan supermarkten. Al die kleuren, fel licht, duizenden producten die naar je schreeuwen... Nu pas had ik door hoe erg ik mijn hersenen had uitgeput.
De wereld zag er vanaf dat moment heel anders uit. Mijn grootste bezigheid was liggen en luisteren naar muziek of een podcast, terwijl ik uit het raam staarde naar de wolken. Wolken die niet alleen buiten voorbijdreven, maar ook in mijn hoofd mijn zicht vertroebelden.
Mijn hersenen en ik
Na een maand of twee had ik een afspraak bij de bedrijfsarts, van wie ik hoopte dat hij me wat perspectief zou kunnen geven. Binnen vijf minuten was ik weer buiten; het was puur administratief.
Gelukkig kon ik terecht bij de praktijkondersteuner, en zij vertelde mij in grote lijnen hoe het zat. Het was zoals de accu van je auto die plots leeg is, die normaal altijd deels gevuld is. Alleen kon ik nu geen jumpstarter gebruiken. Het enige wat ik kon doen, was de accu langzaam weer opvullen door te 'herstellen'.
Hoe lang dat herstellen zou duren? Dat wist eigenlijk niemand.
Schijnbaar duurde het herstel meestal net zo lang als je bezig was geweest jezelf af te takelen. Dus... een half jaar? Of een jaar? Ik vond het moeilijk in te schatten. Ze zeiden tegen mij dat ik een 'milde' burn-out had. Prima, de term maakte mij niet uit, ik wilde gewoon zo snel mogelijk beter zijn. Ik wilde verder, ik wilde weer leven. Dus besloot ik de juiste keuzes te maken.
Maar wat waren de juiste keuzes?
Doe leuke dingen, zeiden ze. Wees je bewust van wat je energie geeft én wat energie kost.
Maar dat bleek nog niet zo makkelijk. Want hoewel ik ging zingen in een koor, wat een enorm lichtpunt was, sliep ik daarna altijd bar slecht. Schrijven dan, rustig thuis. Dat gaf energie, maar ik raakte ook al snel in de overdrive en putte mijn hoofd uit. En sporten was leuk, maar het kostte zo veel focus dat het tijdens een training of wedstrijd soms al na tien minuten zwart voor m'n ogen werd.
Alles wat ik deed, ook een fijne middag met vrienden, leek zowel energie te geven als het weer weg te nemen. Ik wist op een gegeven moment niet meer waar ik goed aan deed.
De enige graadmeter die ik had, was de staat van mijn hoofd. Met name een druk in mijn voorhoofd, waardoor ik nauwelijks meer kon nadenken of zelfs kijken. Dat had ik een halfjaar geleden voor het eerst opgemerkt, en nu was het altijd aanwezig. Het frustreerde me. Hoe kwam ik er vanaf?
Maar ik begreep heus wel wat nu de boodschap was.
Ontspan.
Stop met denken.
Maar hoe stop je met denken!? Een hoofd dat al ruim een jaar op volle toeren draait ineens tot rust brengen... Hoe!?
Bumpy road
Tsja, ik leerde ermee omgaan, langzaam maar zeker. Steeds beter begreep ik wat mijn hersenen nu echt nodig hadden, en hoe ik de opgestapelde energie in mijn hoofd weer terug kon brengen naar de rest van mijn lichaam. Zoals met een lichaamsmeditatie of body scan.
De mist trok beetje bij beetje weg.
En ik genoot langzaam meer van het leven. Zag weer de schoonheid van de natuur, ging wat schrijven, tekenen en bezig met andere hobby's. Deed leuke dingen met vrienden en familie. Organiseerde zelfs een paar workshops, zoals zangimprovisatie en rondom het thema 'volg je enthousiasme'.
Maar hoewel ik vooruitgang merkte, doordat ik meer kon doen, betekende een stap vooruit ook vaak een stap terug. Enthousiasme leidde tot overmoed, en dan lag ik weer een week overprikkeld op de bank.
Daarnaast lukte het maar niet om beter te slapen. Ik was elke avond bang om naar bed te gaan. Waar ik voorheen juist genoot van dat moment dat ik lekker ontspannen onder de dekens kroop, lag ik nu uren wakker met het vooruitzicht de volgende dag doodmoe te zijn. Ik probeerde van alles. Visualisaties, muziek, meditatie... Het hielp niet. Tot ik begon te accepteren dat ik nu eenmaal slecht sliep.
Dat het oké was om moe te zijn.
Uiteraard was acceptatie de sleutel. De stress die ik had rondom 'slapen' verdween langzaam maar zeker, en het lukte uiteindelijk om weer gewoon in slaap te vallen.
Oftewel, het herstelproces was een bumpy road en mijn geduld werd flink op de proef gesteld.
Word ik ooit nog de oude?
Ik ken ondertussen heel veel mensen die een of meerdere burn-outs hebben gehad, of iets vergelijkbaars wat dan 'overspannen' heet, of overwerkt of iets dergelijks. En al die mensen moesten er op hun eigen manier, al stuntelend, doorheen zien te gaan.
Sommigen hebben nog steeds geen idee hoe ze eruit komen.
Weten niet of ze ooit nog de 'oude' worden. En dat begon ik me op een gegeven moment ook af te vragen. Zou ik ooit nog zo energiek en helder van geest zijn zoals in mijn studententijd, toen ik een fulltime studie filosofie deed, een bestuursfunctie had, een druk sociaal leven, relatie, sportvereniging, hobby's...?
Was dat nog mogelijk? Wenselijk zelfs?
Misschien, zeiden sommigen, moet je maar accepteren dat je zwakker en kwetsbaarder bent dan de rest.
Kies een rustig baantje, met niet te veel uitdaging. Gewoon, op kantoor, waar je duidelijke taken hebt en weinig verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Even geloofde ik dat, maar ik voelde me er eigenlijk alleen maar somberder door. En ik wist: nee. Dat is niet wie ik ben. Dat is niet het antwoord. Er is meer mogelijk, alleen... wat?
Het was een eenzaam proces.
Het voelde alsof ik het alleen moest doen. Ondanks dat ik lieve familie en vrienden om me heen had, en op een gegeven moment steeds meer mensen ontmoette die ook door een burn-out gingen of waren gegaan.
Maar er was ook een deel van de buitenwereld, zeker de hardwerkende, doorpakkende mensen, die niet altijd begrepen waarom ik nou zo lang niet werkte. Zeker als je wel op sociale gelegenheden komt. Het duurde een tijd om die schaamte en dat schuldgevoel van me af te schudden.
Om te zeggen:
Ik heb een burn-out.
Het was best moeilijk om eigenwaarde te blijven voelen, maar iets sleepte mij erdoorheen. Namelijk het vertrouwen dat hoe ik me had gevoeld tijdens mijn reis, was wie ik weer kon zijn.
Maar goed, de volgende uitdaging kwam eraan. En dat was dealen met de beëindiging van mijn twee werkcontracten, en moeten verhuizen omdat ik mijn huur niet meer kon betalen.
Acceptatie
De opdrachtgever van mijn freelanceklus stopte vrij snel de samenwerking. Zij hadden een deadline en het was niet duidelijk hoe lang ik ziek zou zijn - dus dat kon ik begrijpen. Maar toen ook mijn vaste werkgever meedeelde dat ze mijn tijdelijke contract niet zouden verlengen, voelde ik me eigenlijk een beetje... verraden.
Ik had toch zó mijn best gedaan? Zelfs zo dat ik mezelf had uitgebrand. En nu lieten ze me vallen?
Ze hadden er geen vertrouwen meer in, zeiden ze allebei. Dat was pijnlijk. En confronterend. Want de reden dat ik zo hard was doorgegaan, was júist om hun vertrouwen niet te verliezen.
Aha. Een mooi punt van reflectie voor in de toekomst.
Maar niet nu. Ik had er geen energie voor, ook niet voor de frustratie, boosheid en het verdriet om het verliezen van een toch wel fantastische baan. Dus accepteerde ik de situatie, gaf mezelf wat compassie en had nog een fijne afscheidsborrel met collega's. Vanaf toen was ik echt los van werk, en volledig in de ziektewet.
Gelukkig vond ik vervolgens een fijne, tijdelijke woonplek bij semi-familie, dicht bij de natuur, waar ik veel rust kon nemen.
Tweede uitval
Maar niet lang daarna, een halfjaar na mijn ziekmelding, dacht ik dat ik wel genoeg had gerust. Ik vond dat ik weer aan het werk moest. Dus zocht en vond ik nieuw werk, en meldde me beter.
De baan leek passend, en ik voelde weer enthousiasme en inspiratie stromen. Maar helaas, al snel ging het bergafwaarts. Voor ik het wist waren mijn dagen weer gekleurd door stress, sliep ik slecht en raakte in de overdrive. Maar ik wilde niet zó snel alweer opgeven, ik had me gecommitteerd en wilde niemand teleurstellen.
Dus ging ik door.
Tot ik op een dag huilend op de vloer in mijn huis lag. Ik dacht dat ik een presentatie moest geven, maar die bleek de volgende dag te zijn. Ik was soort van opgelucht, maar voelde me vooral totaal uitgebrand. Toen kwam het besef, als een mokerslag.
Waar was ik mee bezig?
Ik moest stoppen, nu. Me ziek melden. Anders zou het hele proces, waar ik ruim een jaar geleden aan was begonnen, gewoon opnieuw beginnen. Dat zou ik mezelf moeilijk kunnen vergeven, na alle moeite die me dat had gekost.
Maar ik voelde pure paniek. Schuldgevoel. Alsof ik me niet mocht ziekmelden.
Alsof ik iets deed wat verkeerd was.
Maar ik wist dat er niets anders op zat, dus ik dwong mezelf om me ziek te melden. Waarbij ik pijnlijk genoeg inderdaad op best wat teleurstelling en onbegrip van collega's stuitte.
Ik wist dat het nu echt tijd was om de diepere lagen te ontrafelen. Dus stapte ik in mijn auto en reed naar Duitsland, waar ik een week alleen in een huisje spendeerde zonder contact met de buitenwereld.
Ontmaskering
De hele rit, en nog dagen erna, bleef ik me schuldig voelen. Elke kilometer die ik weg van Nederland reed voelde alsof ik de mensen om mij heen, mijn werkgever, de maatschappij, verraadde. Een stem in mijn hoofd riep:
STOP! Ga terug!
De paniek leek koste wat koste te willen voorkomen dat ik naar mezelf luisterde. Toch ging ik door, en gedurende de week gaf ik alle ruimte aan dat gevoel. Kom maar, dacht ik. Laat je maar zien.
En langzaam merkte ik dat het gevoel me iets minder totaal overnam, en ik er van een afstandje naar kon kijken. Dat schuldgevoel, die paniek... er zat een angst achter.
Die zei: je bent ontmaskerd.
Terwijl ik in mijn eentje door de bossen van Duitsland liep, besefte dat ik inderdaad deels een masker had gedragen. En dat ik bang was geweest. Al heel lang, en niet alleen in deze banen. Bang om mijn mening te uiten, mezelf te laten zien, twijfels uit te spreken. Bang om het anders te willen doen. Want, zeiden ze altijd, werk, school, leven ís niet altijd leuk, daar moet je je bij neerleggen.
Je moet niet zo eigenwijs zijn en gewoon hard werken om de kost te verdienen.
Tuurlijk zit daar een kern van waarheid in, maar ik besefte nu dat ik daardoor een deel van mezelf heb onderdrukt. Enthousiasme liet ik zien, maar niet mijn borrelende frustratie en ontevredenheid. En túúrlijk gaf ik vaak tegengas, en sprak ik ook wél mijn mening uit, maar alleen als het voor mijn gevoel binnen de gewenste grenzen lag.
Ik wilde niet buiten de boot vallen. En een bijeffect daarvan was dat ik extra hard ging werken, en de lat zo hoog legde dat niemand, zelfs ikzelf niet, achter mijn ware gevoelens zou komen. En daarmee had ik niet alleen anderen, maar ook mezelf voor de gek gehouden.
Dát was de confronterende spiegel van de burn-out.
Ik speelde mee in het sociale spel dat we als mensheid voor onszelf hebben gecreëerd, omdat ik bang was sociaal uitgestoten te worden. Maar ik blijk niet zo goed in dat spel te zijn.
De geconditioneerde pleaser
En dat spel vóelt ook helemaal niet goed. Ik besloot: dit nooit meer. Ik gooi die maskers van me af, voor eens en voor altijd.
En toen begon het harde werk pas echt. Want hoe meer ik ging kijken, me er bewust van werd, hoe meer het me opviel. Het was confronterend hoe vaak ik eigenlijk, hoe subtiel ook, een masker opzette en me aanpaste aan anderen. Zelfs in de interactie met mijn vrienden, ouders, relatie... en zélfs in de interactie met mezelf.
Ik zag hoe ik mezelf kleiner maakte, op de tweede plek zette. Verantwoordelijkheid nam waar dat niet per se werd gevraagd. Hoe ik soms een gesprek gaande hield terwijl ik er eigenlijk geen zin in had. En ik was altijd oh zo flexibel, dacht mee, leefde me in, deed m'n best om anderen op te vrolijken... maar waar was ikzelf?
Wat een pleaser was ik eigenlijk. En voor wat, voor wie?
Er kwam een lang onderdrukte boosheid los. En normaal laat ik boosheid of irritatie, áls ik die al voel, alleen toe als ik in m'n eentje ben, omdat ik mensen daar niet mee wil belasten.
Maar nu voelde ik hoeveel kracht er in die boosheid schuilde, en liet ik haar vrij.
Het was duidelijk dat veel van wat ik in mijn leven had gedaan, of hoe ik was geweest, vermengd was met aanpassen aan anderen, niet nee durven zeggen of mijn mening uiten. En hoe dat ook áltijd vermengd was geweest met stress.
Geen wonder dat ik als tiener altijd anderhalf uur in bed lag te piekeren voor in ik slaap viel.
En dat alles om mezelf veilig te stellen, veilig in de groep. Niet raar, niet anders, niet rebels. Conditionering, en een verslavende ook. Evolutionair misschien handig voor het behoud van een samenleving, en dus doen we het allemaal. Ik zie het om me heen. Maar als je zó hard doorgaat dat je jezelf uitbrandt, of zo ver weg bent van je gevoel dat je als een zombie door het leven gaat, dan is die conditionering duidelijk een beetje doorgeslagen.
Op zoek naar authenticiteit
Tijd om te veranderen. Ik oefende om 'nee' te zeggen wanneer dat zo voelde, om soms eens egoïstisch te zijn en niet in een reddersrol te springen. Ik oefende om twijfels uit te spreken, gevoel te laten zien, hoe veel paniek daarbij ook opkwam. Zodra ik vanuit stress bezig was, stopte ik.
Maar, vroeg ik me plotseling af, wat is nu eigenlijk wél puur van mij? En bestaat dat wel?
Zelfs mijn dromen en passies, die altijd zo authentiek voelden, leken bij nader inzien vooral gebaseerd op wat mij is verteld dat ik zou moeten doen. Ik had langzamerhand überhaupt geen motivatie meer, en belandde in een gevoel van doelloosheid.
Maar ik vertrouwde op iets groters, en dat vergde dat ik heel goed luisterde.
Ik luisterde naar elk sprankje van enthousiasme. Gewoon, zin in iets. Ik volgde die sprankjes als een speurzoeker. Of dat nu zin was in het opzetten van een muziekje, eten van een appel, een wandeling maken, iemand bellen, legpuzzel maken, een douche nemen, zak chips eten, nadenken over werk of aan mijn boek schrijven.
Elk sprankje was even belangrijk, en ik luisterde zo min mogelijk naar oordelende gedachten.
Op een dag ging ik vanuit zo'n sprankje in mijn luie stoel zitten. Ik zuchtte, het was stil in mij. En toen was alsof ik door een onzichtbare muur heen zakte. Alsof ik achterover leunde in het leven.
En daar was eindelijk, eindelijk, de ontspanning.
Ik voelde vrede. En daarin was ook, wonder boven wonder, een soort inherente eigenwaarde. Die niet afhankelijk was van erkenning van de buitenwereld, van 'goed of fout'. Een eigenwaarde die juist zó logisch en vanzelfsprekend deel van mij is, dat ik hardop moest lachen.
Hèhè.
De illusie
Het is nu ruim twee jaar geleden dat ik mij voor het eerst ziekmeldde, en ik kan steeds vaker zeggen dat het goed gaat. Met ups en downs ben ik een versie van mezelf aan het realiseren die zichzelf durft te zijn, en steeds subtieler aanvoelt wanneer ze iets doet vanuit schuldgevoel of angst om buiten te boot te vallen. En dat vraagt bewustzijn, elke dag weer.
Misschien heb je zelf een burn-out, of hoe je het ook wil noemen; overspannen, overwerkt, 'iets te gestrest', uitgebrand, uitgevallen. Dan hoop ik dat ik je hiermee wat herkenning heb kunnen geven, en moed om door te gaan. En vooral: pas op de plaats te nemen om te luisteren naar de boodschap die het je wil geven.
Want ja, een burn-out is een lichamelijk signaal dat je 'te hard' bent gegaan, maar het is natuurlijk meer dan dat. Het is een roep van binnenuit.
Blijkbaar zijn velen van ons bang om buiten te boot te vallen, of de boot te missen. Sommigen lukt het om er netjes in te blijven, mee te pedellen in de steeds sneller gaande stroom, maar steeds meer mensen stappen er - noodgedwongen - uit.
En sómmigen zien dat die boot ook maar een illusie is. En dat er buiten die illusie een wereld is van mogelijkheden, van echtheid en liefde.
Een evolutie van de mens, zou ik zeggen.
Reactie plaatsen
Reacties